Aktie Vredesbelasting (VRAK), Patriottenstraat 27, 2600 Berchem

web site: surf.to/vrak {www.vrak.be 11/2007 -webweaver}/ email: vrak@advalvas.be

éd. resp. Jan Hellebaut

pdf

Argumenten en tegenargumenten

  1. Als je het gewetensbezwaar tegen de militaire bestemming van belastinggeld (GBMBB) erkent, komt iedereen aanzetten met een gewetensbezwaar en dat willen we niet.

    In 1964 werd het gewetensbezwaar tegen de militaire dienstplicht erkend. Deze erkenning heeft geen toeloop van vragen tot erkenning van andere gewetensbezwaren tot gevolg gehad. Het heeft wél als resultaat gehad dat mensen zich meer erkend voelden en dat straalt uiteindelijk af op het welbevinden van de ganse samenleving. Indíen de erkenning van het GBMBB tot gevolg zou hebben dat ook een andere groep om de erkenning van zijn gewetensbezwaar zou vragen op fiscaal vlak, dan dient dit verzoek door het Parlement op zijn verdienste te worden beoordeeld en door een specifieke wet te worden geregeld. Het Charter van de Basisrechten van de Europese Unie (Charter van Nice, 2000, artikel 10, vertaald uit de Engelse versie) stelt: Het recht op het gewetensbezwaar wordt erkend volgens de nationale wetten die de uitoefening van dat recht regelen. Indien het GBMBB erkend wordt als gewetensbezwaar, behoort er een redelijke (en zelfs voor de hand liggende) oplossing te worden aangeboden. In ons wetsvoorstel is dat een doorstorting aan een organiek fonds, een op te richten Vredesfonds. Hoe het ook zij, de erkenning van een gewetensbezwaar zal nooit minder inkomsten voor de Staat tot gevolg hebben, enkel een specifieke heroriëntering.

    Er bestaan natuurlijk nog bezwaren tegen de besteding van belastinggeld (voor sociale uitkeringen, de opera, vluchtelingen enz.), maar het parlement zal wel een onderscheid weten te maken tussen een politieke keuze of egoïstische bedoelingen enerzijds en onoverkomelijke gewetensbezwaren in kwesties van leven en dood anderzijds.

    Aangezien het gewetensbezwaar in militaire zaken door de wetgever uitdrukkelijk werd erkend, is de fiscale wetgeving strijdig met deze interne wetgeving, als zij de burger niet dezelfde gewetensvrijheid waarborgt.

  2. Er is geen wet die zegt wat een gewetensbezwaar is. Een voorafgaande definitie is nodig om misbruiken te voorkomen.

    Het parlement kan niet op voorhand zeggen wat in de toekomst een gewetens-bezwaar zal zijn. Het zou daardoor latere parlementen vastzetten. De maatschappij en de cultuur zijn namelijk steeds in ontwikkeling. Ook in de wet op de gewetensbezwaarden tegen militaire dienst komt geen definitie van een gewetensbezwaar in het algemeen voor.

    Alle reeds erkende gewetens-bezwaren hebben te maken met de overtuiging dat men de evenmens niet mag doden (artikel 1 van de Belgische gecoördineerde wet van 20-4-1989). Internationale verdragen, zoals het Internationaal Verdrag over Burgerlijke en Politieke Rechten (BuPo) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) erkennen de gewetensvrijheid en de uiting daarvan, zonder verdere definitie van de inhoud van het geweten en zonder de vermelding van het gewetensbezwaar. Het VN Comité voor de Mensenrechten (Human Rights Committee) is explicieter en zegt in zijn General Comment N° 22 (48) van 20-7-1993 over artikel 18 van het BuPo dat het recht op gewetensbezwaar kan worden afgeleid van artikel 18 van het BuPo in zover de verplichting om dodelijk geweld te gebruiken in ernstig conflict kan komen met de vrijheid van geweten en het recht om zijn godsdienst of overtuiging te uiten. (§ 11)

    Deze uitspraak is ons inziens volledig toepasbaar op het gewetensbezwaar tegen medeplichtigheid aan dodelijk geweld via het betalen van belasting voor militaire uitgaven. Medeplichtigheid is namelijk een bekend begrip in het recht. Wie als gewetensbezwaarde tegen dodelijk geweld verplicht wordt door de Staat financiële of logistieke steun te verlenen aan een handeling van dodelijk geweld door anderen, wordt tegen zijn geweten en tegen zijn wil om schuldig gemaakt door medeplichtigheid.

  3. Er moet toch een leger zijn.

    De erkenning van het gewetensbezwaar vormt geen belemmering voor het beleid van de meerderheid in het parlement om een leger in stand te houden. De erkenning van het gewetensbezwaar tegen de fysieke militaire dienst hield trouwens ook geen vermindering of afschaffing van de krijgsmacht in. Zo'n vermindering of afschaffing staat ook nu niet in het wetsvoorstel en wordt in de toelichting ervan afgewezen. Een erkenning van een gewetensbezwaar is een regeling voor een minderheid die zelf niet de macht heeft om het beleid te veranderen.

  4. We willen geen multiple-choice-democratie. De regering en het parlement moeten hun verantwoordelijkheid opnemen en keuzes maken.

    VRAK is ook geen voorstander van een democratie à la carte. Regering en parlement moeten een beleid voeren dat beantwoordt aan de noden van de bevolking, één dat juist en rechtvaardig is. Bij de belastingaangifte bestaan er voor rijken en grote bedrijven zo veel aftrekposten, uitzonderingen en trucjes om minder belasting te betalen dat men is gaan spreken van ‘fiscale spitstechnologie’ Deze toegevendheid van het parlement aan winstbejag steekt schril af tegen de weigering om het gewetensbezwaar tegen medeplichtigheid aan doden te erkennen en fiscaal te regelen. Nochtans vragen wij niet om minder belasting te betalen, enkel dat het militaire deel ervan een andere bestemming zou krijgen.

  5. want dan is het hek van de dam

    In verschillende domeinen in het fiscale is het hek al van de dam zonder dat dit tot onbestuurbaarheid heeft geleid. Zo kan de belastingbetaler giften aan allerlei organisaties overmaken en daarvoor aftrek van belastingen bekomen. Wie 200 € aan giften stort, kan daarvoor tot 100 € minder belasting betalen. Giften voor vrede en geweldloze conflictoplossing zijn echter van deze regeling uitgesloten. Onze vraag is er niet één om minder belasting te betalen maar het militaire deel ervan een vredesbestemming te geven. De totale belastingopbrengst voor de Staat blijft even groot.

    Het hek is ook al van de dam door de vele wettelijk toegestane fiscale aftrekposten. Sommige van die fiscale uitgaven kunnen worden verdedigd omdat ze van maatschappelijk belang zijn: hypothecaire leningen, uitgaven voor kinderopvang, PWA-cheques, dienstencheques, … Andere fiscale uitgaven komen enkel ten goede aan grote bedrijven.

    De fiscale uitgaven (eigenlijk: minder fiscale inkomsten voor de staat) vermeld in de voorgaande paragrafen belopen tot 20% van de inkomsten uit personenbelasting! Het gaat hier dus over zeer hoge bedragen. De werking van de staat en het budgetrecht van het parlement zullen heus niet in het gedrang komen als een aantal gewetensbezwaarden zou vragen om het militaire deel van hun belasting naar een civiel vredesfonds over te hevelen.

    Wie via goedgekeurde giften en andere aftrekposten een deel van zijn belastinggeld terugkrijgt, geeft met toestemming van de wetgever, een bestemming aan zijn belastinggeld, namelijk zichzelf!

    Waarom wordt het hek wijd open gezet voor allerlei maatschappelijk waardevolle en ook minder rechtvaardige fiscale uitgaven, maar wordt het hek dichtgehouden voor gewetensbezwaarden die op grond van hun diepste overtuiging niet fiscaal medeplichtig kúnnen zijn voor dood en oorlog, maar wel bereid zijn belasting voor leven en vrede te betalen?

  6. Het budgetrecht van het parlement en de niet-affectatie van de inkomsten moeten worden gerespecteerd.

    In het algemeen zijn de gezamenlijke ontvangsten bestemd voor gezamenlijke uitgaven. Deze universaliteit van inkomsten en uitgaven houdt ook de niet-affectatie van de inkomsten in. Toch is het wetsvoorstel niet ongrondwettelijk. Er bestaat een bij wet geregelde afwijking, nl. het organiek begrotingsfonds, voorzien in artikel 45, § 1 van de Gecoördineerde wetten op de overheidsuitgaven. Dit laat toe om bepaalde ontvangsten aan bepaalde uitgaven toe te wijzen. Zo'n begrotingsfonds wordt opgericht door het parlement, dat dus de bestemming van bepaalde (niet exact voorspelbare) inkomsten vastlegt. Het parlement kan dus ook toestemming geven aan de belastingbetaler om het militaire deel van zijn belastinggeld te richten, niet naar zichzelf zoals bij fiscale aftrek het geval is, maar naar een vredesfonds. De belastingbetaler heeft hier geen fiscaal voordeel bij, maar er wordt wel tegemoet gekomen aan zijn geweten. De oprichting van een vredesbelastingfonds hangt dus af van de politieke wil van het parlement om dit gewetensbezwaar ernstig te nemen. Bovendien wordt er via een redelijke en voor de hand liggende oplossing aan vredesopbouw gedaan.

  7. Als belastingbetalers belastinggeld in een organiek vredesfonds mogen storten, zijn er minder inkomsten voor de algemene begroting en zal de regering moeten besnoeien op andere begrotingsposten.

    Theoretisch is dat juist. Maar voor een deel is het een schijnprobleem. Het geld dat in het organiek vredesfonds wordt gestort, dient ook voor verdediging, nl. civiele verdediging. De militaire uitgaven plus het vredesfonds samen maken de Belgische uitgaven voor landsverdediging uit. Ook tegenover de NAVO kan de regering wijzen op de grote verdedigings- en vredesinspanning die België levert (aangenomen dat de regering meer verantwoording aan de NAVO dan aan de bevolking schuldig is).

    In het totaal blijven de belasting-ontvangsten gelijk. Indien het aantal gewetensbezwaarden beperkt blijft, veranderen de inkomsten voor de totale algemene begroting niet noemenswaardig. De opmaak van de begroting voor militaire defensie en al de andere begrotingsposten lijden dan nauwelijks onder de heroriëntering van het belastinggeld van de gewetensbezwaarden naar het organiek begrotingsfonds voor civiele vredesopbouw. Het is mogelijk dat het begrotingsevenwicht tijdelijk dreigt verstoord te worden indien er veel geld op dat vredesfonds en wat minder voor de algemene begroting zou binnenkomen. In dat geval heeft de regering het belang dat de bevolking aan civiele vredesinspanningen hecht, kennelijk onderschat. Ze zal dan bij de begrotingscontrole en vooral samen met het parlement bij de opmaak van de volgende begrotingen politieke keuzes moeten maken over inkomsten en uitgaven. Het is nu juist de taak van de regering en parlement om aan de vredeswens van de bevolking tegemoet te komen.

  8. We zijn tegen een doorgedreven individualisme en voor solidariteit. Het is aan de staat om over die solidariteit te waken.

    We kunnen dit volledig onderschrijven. De staat moet kiezen voor de bescherming van de zwakken. Ook moet een echte democratische staat bewust minderheden en gewetens-bezwaarden respecteren. Minderheden dienen de kans te krijgen hun inbreng in de maatschappij te leveren en op die manier de democratie te verfijnen. Gewetensbezwaarden tegen de militaire dienst en tegen de militaire bestemming van belastinggeld zijn juist als individu in hoge mate solidair met het maatschappelijk welzijn en de vredesopbouw. De traditionele generatie van burgerlijke en politieke mensenrechten, zoals godsdienst- en gewetensvrijheid, zijn deels individueel, maar ze hebben ook een positieve invloed op het democratische gehalte van de staat. We kunnen de staat enkel uitnodigen om deze basisdemocratie positief te gebruiken. Gekoppeld aan recentere meer economische, sociale en culturele mensenrechten, waaronder vrede, leveren de mensenrechtenorganisaties en NGO's een waardevolle bijdrage tot de samenleving op lokaal, nationaal en mondiaal niveau.

  9. Het gelijkheidsbeginsel staat in de grondwet ingeschreven. Als het gewetensbezwaar tegen de militaire bestemming van belastinggeld erkend wordt, kan iedereen die meent een gewetensbezwaar te hebben naar de rechtbank (en zo naar het Arbitragehof) stappen om zijn beklag te doen en een gelijke behandeling te krijgen. Op die manier zal niet het parlement maar de rechtbank uitmaken wat een gewetensbezwaar is.

    Het recht op gewetensbezwaar is al erkend in zaken van leven en dood (militaire dienst, euthanasie, abortus). Rechtbanken kunnen wel wijzen op discriminatie, schending van het gelijkheidsbeginsel en anomalieën in het rechtssysteem van een bepaald land. Ze werken echter op basis van bestaande wetten en maken zelf geen wetten. Dat doet het parlement.

    Dit soort tegenargumenten is vooral ingegeven door angst en angst is een slechte raadgever in politiek. Ze belemmert een moedig spreken en handelen van politici. Ze verhindert vaak mensen om te doen wat goed en rechtvaardig is en moet gedaan worden.

  10. Het is beter om een vredesinstituut op te richten dan een vredesbelastingfonds.

    Het budget voor een vredesinstituut zal niet tegemoet komen aan de gewetensnood van de gewetensbezwaarde indien de gewetensbezwaarde niet expliciet en individueel erkend wordt. Bovendien moet dit budget overeenkomen met 8,55 % van de inkomstenbelastingen van alle gewetens-bezwaarden samen, d.i .het percentage dat nu een militaire bestemming heeft.

    Als de angst niet zo meespeelde, zou het vredesbelastingfonds prachtige zaken kunnen realiseren, zoals opgesomd in het wetsvoorstel. Overal bestaan er grote en kleine initiatieven om aan vredesopbouw te doen: van de kleine equipes van Peace Brigades International en de grotere aanpak van de Geweldloze Vredesmacht (Nonviolent Peaceforce) tot de reeds bestaande, soms nog embryonale, staatsprogramma's voor geweldloze conflicthantering in Duitsland, Noorwegen, Nederland … en België.

    De middelen van het Vredes-belastingfonds zouden rechtstreeks aan die programma's kunnen worden besteed. Op die manier wordt het gewetensbezwaar gerespecteerd en krijgt vredesopbouw reëel gestalte.